maandag 18 oktober 2010
De Dierenwinkel
zondag 2 mei 2010
De gevonden brief
Een Noemenswaardige brief
Misschien zijn dit wel de laatste woorden die ik op papier zet. Dacht hij. Klep keek naar zijn handschrift. Sierlijk was het niet. Misschien irriteerde hij zich zelfs een beetje aan de krasse krabbels die hier en daar het einde van een woord markeerden. Het schrift was opmerkelijk en daarom ook noemenswaardig. In het verleden hadden zijn vrienden er meerdere meldingen van gemaakt. Het was opmerkelijk en dus werd het genoemd. Bizar, inspirerend. Zo werd het beschreven. "Zo zouden ze deze brief wellicht ook omschrijven..." dacht Klep. Het schrijfsel zou opmerkelijk en noemenswaardig worden, dat moest wel. Klep zelf was dat al te lang niet. Dat had hij zich laatst gedurende een stevige schijtsessie gerealiseerd. Gek dat zo'n vulgaire bezigheid tot zulke diepgaande inzichten kan leiden. Klep had ooit besloten dat het niet zo zeer de bezigheid was, maar meer de situatie. Even alleen in een kamertje. Hoe vaak komt dat nu nog voor in een wereld van volle metro's, bussen en treinen. Drukke winkelstraten en volgepropte pleinen? Niet vaak. Dus daarom denkt men na op de pot. Mensen onderschatten de situatie. "Niemand praat ooit over mij." Was een van Klep's toilet inzichten geweest. "Mensen hebben het de hele dag over van alles en nog wat. De gootsteen die lekt en donkergroene vlekken achterlaat in het keukenkastje. De krantenjongen die altijd een dag later de reclame bladen door de brievenbus gooit dan dat hij het bij de buren aflevert. De bus die niet op tijd rijdt. Het is ten alle tijden minder belangrijk dan mijn persoon. En toch, om de een of andere reden is het noemenswaardig. Nummer vier noemen ze me ook echt." Bedacht Klep zich. "Ze" waren in dit geval zijn huisgenoten, de geadresseerden. De pen danst over het papier, losjes, sommige krabbels net uit de maat. Een donker rubber omhulsel zorgt ervoor dat het ding net niet uit zijn zweterige knuistjes glijd.
"Amsterdam, 21-04-2007
Lieve Huisgenoten,
Vanaf heden dagen ben ik niet meer hier. Dit betekend dat ik mij ergens anders bevind. Dat klopt ook. Mali, west Afrika. De missie is niet eenvoudig. Hij duurt 43 dagen. Ik ben vanmorgen vertrokken. Ik weet niet zeker of en wanneer ik terug kom. Meer kan ik er niet over uitweiden. Ik heb de afgelopen drie maanden survival training gehad. Momenteel ben ik top fit. Ik ben in staat meer dan tien kilometer te rennen op een dag. Ik heb geleerd om te jagen, en in een droge omgeving water te vinden of te winnen. Ik draag een AK type 47 met minimale kogelvoorraad.
Je snapt dat ik deze informatie eigenlijk ook niet kwijt mag. Daarom vraag ik jullie vriendelijk om deze brief te verbranden. Voor dringende berichten kan je mijn broer bereiken. Doe de afwas en zorg goed voor jezelf, dan zal ik hetzelfde doen.
Ik houd van jullie,
Klep.
PS. Ik zou jullie vriendelijk doch dringend willen verzoeken mijn kamer zo min mogelijk te betreden. "
Op de achterkant had Klep het volgende geschrevent:
"Zij die de dood niet zoeken zullen haar vinden. Zij die haar gezocht hebben zullen gevonden worden."
Een kleine glimlach glimt over klep's gezicht. Een gevolg van een mentaal beeld dat zich gevormd had. Het beeld bestond uit verontwaardigen gezichten. De emotie van zijn huisgenoten wanneer ze de brief van de deur zullen grissen. De toonhoogte waarop ze hun medemens om uitleg vragen. Het trachten te begrijpen en vervolgens zullen verwijzen naar het land der onuitlegbare verschijnselen. Dat maakte Klep niks uit. Waar het ook heen leidde, het zou niet onopgemerkt blijven. Het zou genoemd worden. Er zou over gepraat worden. Klep had slechts zijn moeder en broer ingelicht over zijn vertrek.
Het is 10 uur s'morgens wanneer huisgenoot één van vier de brief vind. De verwachte luide kreet word geslaakt. Het huis is nagenoeg leeg. Vuile vlekken en smerige sigaretten peuken vullen het vertrek waar de hoge tonen klinken. Het hol van feestbeesten. Samen met wit poeder dat her en der in koffiekopjes te vinden is vormen zij het bewijs dat er vele after-party's in het herenhuis gevierd worden. Het laatste woord wordt gelezen. Een reactie volgt "Ja hoor, wat is dit nu weer?" De telefoon word gepakt en huisgenoot Twee word gebeld. "Wist jij dat Klep zes weken weg is?" Aan de andere kant van de lijn klinkt er een afkeurend geluid. "Ik dus ook niet. Luister." De brief wordt volledig geciteerd, met hier en daar de nadruk op de laatste woord van de zin om aan te geven wat voor ridicule boodschap zij verkondigd. "Dat is toch te bizar voor woorden?" Ik kan dit dus niet uit staan! Het heeft geen enkele zin!" De stem aan de andere kant van de lijn lost sussende woorden. "Nee maar ik denk niet dat het zoiets is. Het is niks. Hij moet gewoon weg voor zijn werk en is over 6 weken gewoon weer terug. En als hij terug is dan ga ik er wat van zeggen! Ik ga het er met hem over hebben." Enkele frustraties betreffende de boodschap worden gedeeld voor het gesprek plots ten einde komt. Één besefte zich dat zijn laatste paar woorden samenvielen met twee pieptonen. "Wat krijgen we nou? Geen bereik ofzo?" Even kijkt Één stom naar de telefoon voor hij deze nog even aan zijn oor zet in de hoop dat dit het ding weer doet functioneren. Helaas. Pieptonen stellen hem op de hoogte van het feit dat Twee momenteel telefonisch onbereikbaar is. Met een zucht propte Één het toestel terug in zijn zak. Twee was aan het eind van het gesprek net zo verbaasd. Op de een of andere manier maakte dit niets uit. De frustratie was er nog steeds. Één wist niet wat hij er mee moest. Bij het betreden van de traphal trapte hij tegen de fiets die in de hal geparkeerd stond. Klep's fiets. Één vloekte en ervoer een moment van twijfel. En pijn. Zijn woede deed hem de fiets nogmaals een flinke trap te verkopen. Het hielp weinig. Gezond verstand zei dat het niet verstandig was. Woede won en dus vloog zijn enkel volop richting het achterwiel. Deze werd gemist. Het harde botsen van de trapper en de enkel was nu onvermijdelijk. Iets wat nog niet als een klap klonk schalde door het trappenhuis. Een pijnkreet volgde. Één kneep zijn ogen dicht terwijl hij zijn zere voet optilde. Naast zijn fatsoen verloor hij nu ook zijn balans. Zwaartekracht trekt hem de diepte van het trapgat in. Instinctief werpt Één zijn handen naar voren. Hulpeloos en zonder enig effect. Beide grijpen ze de derde traptrede alwaar het lichaam hen inhaalt. De rug vangt de eerste klap op waarna het lichaam haar weg naar beneden vervolgt. De klappen verhullen het gestommel en happen naar lucht. De vaart neemt toe. Het lichaam verstijfd van de pijn en blijkt niet in staat te voorkomen dat Één ook de tweede verdieping aan doet. Met rap tempo tuimelt de arme jongen tot de vloer van de eerste verdieping alwaar zijn achterhoofd voor de vierde maal er met een doffe knal contact mee maakt. Één's achterhoofd bloed. Het zou nog een kwartier duren voor de beheerder van het onderste pand, een jonge dame die net uit haar midlife crisis geklommen was hem zou vinden. Mevrouw Klat zal radeloos zijn. De jongen zal zojuist overlijden. De dood heeft hem gevonden.
Nog geen minuut nadat de auto de bellende oversteker geschept had stond het zwart van de mensen. De gestopte tram had hierbij geholpen. De weg werd nu bewandeld door nog zeker dertig man. Verscheidende hulpdiensten werden op de hoogte gesteld van het incident. Voor de jongen op de weg zou het weinig uitmaken bedachten de meest cynische onder de omstanders. Zijn hersenen lagen over een lengte van ongeveer een halve meter verspreid over de weg omgeven door een donkere substantie. Wellicht bloed. Het ambulance personeel dat nog geen minuut later was gearriveerd had niet eens een re-animatie gepoogd. De Politie zette de omgeving af. Omstanders probeerde zo dicht mogelijk bij de plaats delict te komen. Sommigen probeerde met getrokken telefoon een kiekje te maken. Ook Youtube zou niet van een videoverslag van het incident verstoken mogen zijn leek het. Een geleerde man was die morgen in de auto gestapt om tot dit punt in de tijd te reizen in een luxe Saab tot de voorbumper contact maken met de onoplettende overstekende jongeman. Meneer Saab stond met de handen in het haar vol afschuw het lijk te aanschouwen. Een journalist probeerde voorzichtig enkele unieke taferelen te vangen. Snelle gesprekken tussen het ambulance personeel. Geëmotioneerde politie agenten die gruwelend het publiek op afstand houden. "Dit wordt een noemenswaardig artikel" bedacht de journalist zich terwijl enkele vragen op de dichtstbijzijnde medisch personeel af vuurde. "Hoe denkt u dat deze jongen de dood heeft gevonden? Of heeft de dood hem gevonden? Denkt u de chauffeur nalatigheid verweten kan worden?" Een enkeling werpt een afkeurende blink in de richting van de journalist. Het maakt hem niks uit, morgen leest de helft van hen toch wel zijn artikel. "Jongen vind de dood, of heeft de dood hem gevonden?" Een mooie titel voor een artikel, bedacht de journalist zich.
Drie was te laat. Het geschreeuw van één had hem zo'n twintig minuten uit zijn slaap gehaald. Na de stilte had drie niet meer in slaap kunnen komen. Vervuld van de zaken die gedaan zouden moeten worden die dag stapte hij de douche onder. Op zijn weg naar de douche hield hij stil. Op de drempel van de voordeur lag een brief.
"Zij die de dood niet zoeken zullen haar vinden. Zij die haar gezocht hebben zullen gevonden worden."
Een frons vormde zich op zijn voorhoofd. Verbaasd graaide hij het papier van de vloer. Met open mond las hij het bericht. "Klep is gek." was de conclusie. Bij het weglopen kopt Drie de deur. "Auw feck!" was het commentaar. Een suffe loomheid betreed zijn brein. "Wakker worden en wegspelen onder de douche." besluit Drie zonder zich er al te kwaad om te maken. De badkamer deur wordt geopend. Het vertrek werd betreden. Na een korte douche droogde Drie zich af met zijn handdoek. Een rood-witte. Van Ajax. Op de weg naar zijn kamer drukte drie de aan-knop van het koffie-zet-apparaat in. Het apparaat begon braaf met verhitten. De koffie werd gezet. Donkere druppels druppelen in een grote Ajax mok die Drie zojuist van het aanrecht gegrist had. Hij voelde nog steeds een slaperige sufheid die maar moeilijk van hem af te schudden leek. Koffie. Met flinke teugen verdween de warme substantie van uit de overgrote rood-witte mok zijn keel in. Het goedje was heet. Niet te heet. Nog een teug. Even proefde Drie de vettige textuur van een solide substantie. Hij kon zich niet herinneren de mok ooit van suiker te hebben voorzien. Een opgetrokken wenkbrauw stond symbool voor zijn verontwaardiging. Drie smakte even waarna hij nog een slok nam. Ja. Er zat iets in zijn koffie. Drie schudde zijn hoofd. Zijn zicht vervormde in gekleurde strepen. Voorzichtig stond drie op om te kijken waar hij zijn mok gepakt had. De keuken leek ver weg. Een epische reis. Opstaan duurde uren. Zijn broek leek loodzwaar. Voorzichtig plaatste Drie voet voor voet vooruit. Halverwege zijn reis besefte hij dat het beter was als hij weer zou gaan zitten. Of liggen. Voorzichtig liet hij zich zakken. Zijn oogleden voelden loodzwaar. Zwart vulde zijn visie. Nog geen uur later zou Drie gevonden worden. Door twee rechercheurs met mid-life-mevrouw Klat in het kielzog.
De volgende dag keek Klat verdwaasd Tv. Al twee stations hadden melding gedaan van de incidenten. Zij zelf was een keer genoemd. Haar handen hadden sinds gister aan een stuk door getrild. Met een kop koffie in haar handen nam ze de krant door. Een enorme foto op de voorpagina informeerde over een incident voor de deur van het pand waar Klat de twee lijken had aangetroffen. Auto-ongeluk. De laatste twee alinea's werden gewijd aan wat blijkbaar huisgenoten waren van de jongen die onder de auto was geraakt. Het artikel sprak over drie huisgenoten. Piet Versnel. Rene Stok en Tim Vlug. Zij waren omgekomen. En hoe opmerkelijk. Zij werden gemist. Een vierde was niet aanwezig. Deze persoon werd verder niet genoemd.